Reders & Vlootvoogden ~ Een voorbeeld van huwelijkspolitiek in 17de-eeuws Vlissingen

Er bestaat een oud verhaal over de afkomst van de roemruchte vlootvoogd Michiel Adriaensz. de Ruyter. De carrière van het touwslagersknechtje kon zo’n flukse en daadkrachtige vaart nemen door een onwettige familierelatie met zijn eerste werkgever, de evenzo bekende koopman en reder Cornelis Lampsins, baron van Tobago. Het is een hardnekkig verhaal, ondanks dat er geen authentieke bronnen zijn die het ondersteunen. Als enig argument wordt, door voorstanders van het verhaal, aangevoerd de ‘frappante gelijkenis’ tussen beide; het biedt een zeer zwakke basis, vooral als we nog meer tijdgenoten (in portret) naast de beide heren zetten en tot de conclusie komen dat veel zeventiende-eeuwers op elkaar lijken.

 

 ~ Het systeem

Ondanks dat kunnen we stellen dat deze families, die we toch de twee van de meest spraakmakendste van Vlissingen kunnen noemen, wel degelijk aan elkaar verwant zijn. Wellicht niet geheel uit vrije keuze, maar dan toch zeker uit overwegingen van status en andere dynastieke belangen – die onder de Zeeuwse elite van de zeventiende-eeuw als zeer belangrijk werden beschouwd. Er is niets nieuws in de geschiedenis. Sociaal-maatschappelijke verschuivingen zijn altijd al aan de orde geweest; eerder dan in onze eigen tijd, was er een heftige verandering aan het einde van de Middeleeuwen. De oude vanzelfsprekende macht van de eerste en tweede stand, respectievelijk de geestelijkheid en de adel, werd ter twijfel gesteld. De Europese maatschappij veranderde gedurende de gehele zestiende eeuw, versneld door de snelle opkomst en blijvende invloed van de (kerkelijke) reformatoren en de vele ingrijpende oorlogen die ermee gepaard gingen. Bij aanvang van de zeventiende eeuw was er een samenleving die nog weinig overeenkwam met die van voorgaande eeuwen. In de Nederlanden stond alles in het teken van de jonge Republiek, de opbloeiende koophandel, de protestantse religie die indirect de grondslag voor de (noordelijke) Nederlanden was geworden; en prominent aanwezig was de oorlog die voor nog zeker vijftig jaar vele levens zou beïnvloeden, en later de geschiedenis inging als de Tachtigjarige Oorlog. In de zeventiende eeuw kreeg de burgerij meer macht, zij die succesvol waren althans. In de steeds belangrijker wordende steden van de Republiek vormden zij facties die de macht uitvoerden en eenmaal op het bestuurlijk pluche bleven zij stevig zitten. Ambten en functies werden verdeeld over familieleden en aan vrienden die vervolgens vaak familie werden. De gevoerde huwelijkspolitiek hierbij doet denken aan een harteloos systeem waarbij zonen en dochters aan gelijke, of machtiger families werden verhandeld. Maar samen met de welstand en bevoorrechte positie, is het in die tijden onlosmakelijk verbonden met het behoud van macht en status. In essentie was het niet meer dan een voortzetting van de wijze van de middeleeuwse adel. De harmonie binnen het huwelijk bestond uit gelijkheid van afkomst, familierelaties, vermogen en opvoeding. Een wederzijdse affectie was wenselijk, maar zeker niet noodzakelijk.

Cornelis Lampsins

Anoniem, Cornelis Lampsins, Baron van Tobago (1600-1664), olieverf op paneel, 83×68,5 cm, ca. 1655. Collectie: Gemeente Vlissingen, in bruikleen van het Zeeuws Maritiem muZEEum aldaar. NB: Pas in (of na) 1662 werd het draagkruis van de Franse Orde van Sint Michiel bijgeschilderd.


~ De immigranten: Lampsins

De familie Lampsins behoort al zolang er gegevens over hen bekend zijn, tot de hogere burgerklasse. Naast hun actieve participatie in de haringrederij, bezetten zij reeds in de zestiende eeuw een aantal hoge ambten in de stedelijke regering van Oostende; ook hebben zij verwanten op dezelfde posities in nabijgelegen Vlaamse steden. Aan het einde van de zestiende eeuw, als de oorlog in de Vlaamse landen steeds bedreigender wordt, besluiten zij met een aantal verwanten Oostende te verlaten. Kort daarna vinden wij hen terug in de drie grootste Walcherse steden: Middelburg, Vlissingen en Veere. De precieze reden voor deze opsplitsing is vooralsnog niet bekend, maar door zich permanent te vestigen – en dankzij de snelle groei van deze steden – bekleden zij al spoedig dezelfde ambten als voorheen in Oostende. Zoals immigranten altijd al hebben gedaan (en nog steeds), trouwen zij met die families die eveneens uit Vlaanderen afkomstig zijn, in de beginperiode zelfs uitsluitend met de vijf andere families uit Oostende: Velters, Kien, De Haze, Muenicx en Thijssen. In een relatief korte tijd, zo’n drie generaties, is de invloed van deze groep dusdanig sterk, dat we kunnen spreken van een heuse ‘Oostendse factie’ – en ook al verliest men directe macht aan het einde van de zeventiende eeuw, hun invloed blijft bestendig tot aan Omwenteling van 1795. Het duurt dezelfde drie generatie alvorens er wordt overgegaan tot het sluiten van huwelijken met andere gevestigde of stijgende families; meestal om de welstand te vergroten en macht te verstevigen. In de ontwikkeling van de familie Lampsins in Zeeland, genomen over driehonderd jaar, beleeft zij haar absolute top in het midden van zeventiende eeuw met het handelshuis Lampsins onder leiding van de gebroeders Adriaen en Cornelis Lampsins. Na nog een eeuw van min of meer onbetekende status, bereiken zij op het laatst – de familie sterft uit in 1848 – het tweede hoogtepunt: Een reeks zeer vertrouwelijke posities aan het prinselijke en later koninklijk hof van Oranje.

 

~ De autochtonen: De Ruyter

De opkomst van een familie kan ook te danken zijn aan de verdiensten van één persoon, zoals in het geval van de familie De Ruyter. Door het bovengeschetste fenomeen van een jonge staat met groeiende steden en een bloeiende koophandel, was het dus mogelijk versneld carrière te maken of tot hoge welstand te komen. Waar de Lampsins reeds fortuin en ervaring meebrachten vanuit Vlaanderen, startte Michiel Adriaensz. de Ruyter vanuit de arbeidersklasse. In dit kader zien we identieke patronen bij de families van andere bekende vlootvoogden als Evertsen, Tromp en Banckert.

Van De Ruyter is bekend dat hij zijn werkzame leven startte in dienst van de familie Lampsins. Er doen hierover echter wat misverstanden de ronde. Allereerst zou De Ruyter vóór het moment dat hij gaat varen (1618) in dienst zijn op de lijnbaan van de broers Adriaen en Cornelis Lampsins. De feiten en simpel rekenwerk leveren echter op dat de lijnbaan dan nog eigendom is van, en geleid wordt door hun beider vader: Jan Lampsins. Daarbij zijn de beide broers zelf amper zeven tot tien jaar ouder zijn dan Michiel. Ook na de dood van Jan Lampsins in 1619 is het aannemelijker dat zijn handelshuis werd geleid door diens weduwe Janneke Velters en haar schoonvader, de oude Cornelis Lampsins; de zonen zijn immers nog niet meerderjarig. Op het moment dat De Ruyter na enkele jaren in dienst van de familie Lampsins heeft gevaren – eerst in de kaapvaart, later in de meer bestendiger handelsvaart – en hij financieel gezien steeds beter gepositioneerd raakt, stijgt ook zijn aanzien. Met zekerheid kunnen we het jaar 1641 als peiljaar stellen voor zijn gevestigde status als ‘man van aanzien’. In dat jaar wordt hij door de Staten Generaal benoemd tot schout-bij-nacht, op voorspraak van de Zeeuwse admiraliteit. Hierbij wordt thans aangenomen dat het op aanbeveling van de Lampsins is geschied. Het is dan ook niet verwonderlijk dat hij het commando over het schip De Haze krijgt, een omgebouwde koopvaarder die door de Lampsins is verhuurd aan de admiraliteit. Dat na deze aanstelling zijn ster alleen nog maar rijzende is, weten we uit allerhande biografieën en geschiedenisboeken. Met de Slag bij Plymouth en zijn verdere successen gedurende de Eerste Engelse Oorlog (1652-1654) wordt De Ruyter als een held beschouwd. Juist vanaf dat moment moet hij, zogenaamd, sociaal acceptabel zijn geworden voor de Zeeuwse elite. Wanneer hij kort daarna ook nog verhuist naar Amsterdam, onbetwist de machtigste stad van de Republiek, wordt hij ook als bondgenoot bijzonder interessant.

Michiel Adriaensz. de Ruyter - Bol 1667

Ferdinand Bol, Michiel Adriaenszoon de Ruyter (1607-1676), luitenant-admiraal, olieverf op doek, 157×138 cm., 1667. Collectie: Rijksmuseum te Amsterdam. NB: Hier is duidelijk het keten (met schelpen en medaillon) van de Franse Orde van Sint-Michiel zichtbaar.


~ Allianties

Met de acceptatie van De Ruyter, die volledig samenhangt met zijn vooruitzichten en zijn populariteit, bereiken zijn naaste familieleden dezelfde status. Voor de Lampsins is nu het moment aangebroken om de vroegere werkrelatie (sociaal gezien) te vergeten en deze om te vormen tot een persoonlijke. Voor de eigen kinderen zijn andere huwelijkspartners wenselijk, maar er zijn genoeg andere mogelijkheden om een familieband te creëren. In Januari 1659 tekenen de vierentwintigjarige Jan de Witte en de vijf jaar jongere Cornelia de Ruyter de ondertrouw aan te Amsterdam. De bruid is de oudste dochter uit het gezin De Ruyter. De bruidegom is de oudste zoon van Cornelis de Witte en diens echtgenote Johanna Lampsins, de jongste zuster van de gebroeders Lampsins. Met dit huwelijk is de eerste alliantie tussen de beide families een feit, zeker als in korte tijd ook nog twee gezonde zoons worden geboren: Cornelis en Michiel de Witte. Vanaf dat moment delen de families Lampsins en De Ruyter dus kleinkinderen, een band die verplichtingen schept, zeker in de zeventiende eeuw waarbij familierelaties een belangrijk, zoniet het belangrijkste onderdeel zijn van het sociaal-maatschappelijke leven. Beide families blijven evenredig in status stijgen. De brede bestuurlijke macht, het succes van het handelshuis en de kolonisatie van Tobago brengt de gehele familie Lampsins tot grote hoogte. De Ruyter brengt persoonlijk zijn familie tot aanzien met zijn successen op zee. In 1660 verheft de Deense koning Frederik III de vice-admiraal in de adelstand en slaat hem tot ridder met verlening van een wapen dat leest als een rebus. Het duurt niet lang of in 1662, vermoedelijk met de nodige diplomatische hulp, bereikt Cornelis hetzelfde: Lodewijk XIV van Frankrijk verheft hem in de adelstand als Baron van Tobago – naar het eiland dat de gebroeders Lampsins dan al bijna tien jaar economisch overeind houden. Op zijn adelsdiploma zien we het vernieuwde familiewapen Lampsins, dat eveneens leest als een rebus. Daarnaast wordt hij als ridder opgenomen in de Franse ‘Orde de St. Michel’ waarvan hij, hoogst ongebruikelijk, zowel het keten (herkenbaar aan de schelpen) als het draagkruis ontvangt. In 1666 wordt ook De Ruyter vanwege verdiensten gedaan aan de bevolking van het Frans-Caraïbische eiland Martinique, het lidmaatschap vergund. Ook hij ontvangt het keten. Lampsins laat zijn portret bijwerken: het draagkruis wordt erbij geschilderd, naar alle waarschijnlijk omdat het bijschilderen van het keten een onmogelijke opgave was. Dat er geen nieuw portret is gemaakt kan meerdere redenen hebben. De Ruyter laat zich voortaan op elk nieuw portret met het keten afbeelden. Een tweede alliantie wordt voorbereid, waarschijnlijk ook ditmaal onder strikte regie van de leidende generatie Lampsins. In Vlissingen in juni 1663 treed de recent geworden weduwnaar Jan Schorer in ondertrouw met Alida de Ruyter, de tweede dochter van de vice-admiraal. Een maand later wordt het huwelijk voltrokken in de Amsterdamse Nieuwe Kerk. De bruidegom is door zijn vader Abraham Schorer een telg van de van oorsprong Duitse koopmans- en regentenfamilie Schorer; zijn moeder is Cornelia Lampsins, de tweede zuster van de meergenoemde broers. Het huwelijk duurt echter niet lang. Jan Schorer overlijdt tien maanden later, zijn weduwe en hun één maand oude dochtertje Cornelia achterlatend. Desondanks raakte De Ruyter met twee van deze huwelijken in korte tijd nauw gelieerd aan de gevestigde elite; de Zeeuwse families op hun beurt hielden de communicatielijnen naar het rivaliserende Holland hiermee niet alleen kort, maar ook nog eens stevig in de hand.

Juriaen Jacobsz, Groepsportret van Michiel de Ruyter en zijn familie, olieverf op doek, 269 x 406 cm., 1662 NB: Met uiterst rechts dochter Cornelia (1673-1720) met haar man Jan de Witte (overl. 1683), in het midden de nog ongehuwde Alida (1642-79) en bij de kleine meisjes, links Margaretha de Ruyter (1652-88)

Juriaen Jacobsz, Groepsportret van Michiel de Ruyter en zijn familie, olieverf op doek, 269 x 406 cm., 1662. Collectie: Rijksmuseum te AmsterdamNB: Uiterst rechts dochter Cornelia de Ruyter (1673-1720) met haar man Jan de Witte (overl. 1683), in het midden de nog ongehuwde Alida de Ruyter (1642-79) en bij de drie kleine meisjes, links Margaretha de Ruyter (1652-88)


 ~ Voortijdig einde

Een derde poging zal zeker in de planning hebben gelegen, maar het is anders gelopen. In 1664 sterft Cornelis Lampsins in zijn huis aan de Vlissingse Nieuwendijk, nauwelijks twee jaar later gevolgd door zijn broer Adriaen in Middelburg. Uit recent onderzoek is gebleken dat de familie Lampsins na deze gebeurtenissen intern in een hevige onderlinge strijd is uitgebarsten over de beide nalatenschappen. De erfgenamen zijn zelfs zo verdeeld geraakt, dat de diverse takken elkaar lange tijd alleen via raadsheren zullen hebben gesproken. De eenheid waarin de twee eerdere huwelijken tot stand werden gebracht, ontbrak nu. Het derde huwelijk is dus nooit tot stand gekomen. Er zou zelfs gedacht kunnen worden dat dit een mogelijke reden is waarom De Ruyter’s derde volwassen kind, Engel, nooit is gehuwd.

De Ruyter schrijft in 1669 een brief aan zijn schoonzoon Thomas Potts (de tweede echtgenoot van Alida de Ruyter), waarin hij zich opwindt over de onveranderlijke machtspositie van diverse families in Zeeland, waarmee hij beslist ook de Lampsins heeft bedoeld. Maar dit lijkt weinig invloed te hebben op een later huwelijk. In 1673 huwt zijn jongste dochter Margaretha met de predikant Bernardus Somer; die dan nog maar twee jaar in Amsterdam preekt, maar bovendien ook de zoon is van een Vlissingse dominee en diens echtgenote, een dochter uit de regentenfamilie Kien – één van de families uit de Oostendse factie. Reders en vlootvoogden; hun beider zaken en welvaart waren nauw verbonden, de families nog meer.

Maar hoewel een deel van De Ruyters nazaten onder het voorouderlijk bloed ook dat van de Lampsins draagt, heeft het lange tijd geduurd voordat een zo veelbesproken directe bloedband als tussen Cornelis Lampsins en Michiel de Ruyter een feit genoemd kon worden. Pas in de jaren vijftig van de twintigste eeuw werden twee Nederlandse kinderen geboren die dankzij vader afstammelingen waren van de vlootvoogd, en door hun moeder nazaten van de reder.

 


Geraadpleegd
♦ Haart, J.-M.A.T.F. H. van, Onderzoeksdossiers Lampsins
♦ Haart, J.-M.A.T.F. H. van, Database Zeeuwse Elite
♦ Haks, D., Huwelijk en gezin in Holland in de 17de en 18de eeuw (Utrecht 1985)
♦ Jong, J. de, Een deftig bestaan, het dagelijks leven van regenten in de 17de en de 18de eeuw (Utrecht/Antwerpen 1987)
♦ Prud’homme van Reine, R.B., Rechterhand van Nederland, biografie van Michiel Adriaensz. De Ruyter (Amsterdam/Antwerpen 1996)

Dit artikel is een bewerking van een gelijknamig artikel dat werd gepubliceerd in: Den Spiegel, jaargang 25, nummer 2 (April 2007), p. 9-13

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s