Bescheiden ijdelheid ~ De restauratie van een grafmonument

Epitaaf 1890

Het reeds incomplete en beschadigde epitaaf, circa 1890 (Collectie St. Jacobskerk te Vlissingen)


Het moet een indrukwekkende gebeurtenis zijn geweest, een groots verlichte kerk en een dienst geleid door de belangrijkste Vlissingse dominee van dat moment. Het calvinisme van de jonge zeventiende eeuw ten top: glorieuze soberheid – de dood heeft het leven overwonnen, maar daarin ligt onsterfelijkheid.
In maart 1619 werd één van Vlissings regenten en kooplieden begraven: Jan Lambrechtsz. Coole (1554-1619). Kort daarna wordt een epitaaf opgericht dat tegelijk imposant als sober, loftuitend als bescheiden genoemd kan worden. Bijna driehonderd jaar bleef het ornament bewaard, tot een brand het in 1911 welhaast onherkenbaar verwoestte, waarna het met de jaren in vergetelheid verdween.

Epitaaf 1974

Het epitaaf na de brand, zoals het ruim negentig jaar in de kerk heeft gehangen, 1974 (foto Back, collectie Gemeentearchief Vlissingen)

Het is thans een gelukkige ontwikkeling dat steeds vaker de kerkgemeentes het belang inzien van het behoud en/of de restauratie c.q. renovatie van het kerkelijke erfgoed. Het doel is tweeledig, het behoud van de historie ondersteunt ook de aantrekkelijkheid van de kerkgebouwen voor andere bezoekers dan gemeenteleden. De cirkel is compleet doordat het bezoeken van kerken in onze huidige maatschappij gemeengoed is geworden. Deze ontwikkeling is op zijn manier weer gunstig voor het behoud van ons kerkelijk erfgoed. Ter afsluiting van een jarenlange restauratie van zowel het gebouw als interieur, besloot het College van Kerkrentmeesters van de Grote- of St. Jacobskerk te Vlissingen een zwaar beschadigd ornament in haar kerk te laten restaureren. De firma Rijken & Zonen te Koudekerke werd benaderd voor de uitvoering hiervan. Deze verzocht onderzoek te verrichten naar het wapenornament van origine geplaatst op het epitaaf; een klein, maar vruchtbaar onderzoek dat werd verricht aan de hand van de database Zeeuwse Elite.[1] Zowel de restauratie als de renovatie werd in 2006 voltooid. De epitaaf werd in de winter van 2006-2007 teruggeplaatst in de muur, op een nieuwe plek in de kerk. Op 13 maart 2007 werd het ornament voor genodigden onthuld.

~ IJdelheid der ijdelheden

Is dit monument de ijdelheid van een dode? Er is geen testament bewaard van Jan Lambrechtsz. Coole, we zullen daardoor waarschijnlijk nooit weten welke verwachtingen of laatste wensen hij heeft achtergelaten omtrent zijn begrafenis. Gezien zijn persoonlijk devies[2] valt te stellen dat hij een dergelijk monument wel bijzonder werelds had gevonden. Maar wat voor grotere eer hadden zijn tijdgenoten kunnen bewijzen aan een man die in zijn tijd, naar verluid, zo veel had betekend voor stad en handel? Weinig meer dan het epitaaf dat in zijn nagedachtenis werd opgericht.

Wat weten we nu nog over de ‘wijze Coolenius’, zoals hij staat aangeduid op de bovenste tekstplaat van het monument? Volgens de auteur van de tekst wist Coole zeer goed ‘dat de wereld niets is dan een ijdele droom der dingen, en dat de schatten, die tevergeefs opgehoopt worden, vergankelijk zijn.’ Dat hij zelfs gezegd heeft: ‘Alles is opschik.’ En, vervolgt de auteur: ‘Hij kon in waarheid weten, dat alles opschik is, die in waarheid wist, dat de wereld niets is.’[3] Hoe wist hij dit zo zeker? Had hij zelf die wereld buiten Vlissingen aanschouwd?

~ Koopman en Regent

Er bestaat een vermelding dat hij als jonge man gevaren had, maar dit gegeven komt niet van een tijdgenoot en zonder veel uitweiding over zijn belevenissen. Had hij kennis van de wereld buiten de haven- en vestingstad waar hij het grootste deel van zijn leven moet hebben doorbracht? Ja, zonder twijfel. Met elk schip dat terugkwam in de haven, uit oorden als de verre Amerika’s, Azië, Australië, de noordelijke ijszeeën – alle ontdekkingen uit de ‘nieuwe werelden’ die mee terug werden genomen naar Vlissingen, moet hij wel een keer onder ogen hebben gehad. Coole was niet alleen lange tijd een van de belangrijkste regenten van de stad; hij was in de eerste plaats ook een van de bewindhebbers van de toen nog jonge Oost-Indische Compagnie en investeerder van expedities naar de onbekende continenten, in de hoop dat het lucratieve handel met zich mee zou brengen. Elk binnenvarend schip moet dus in haar ruimen de bewijzen hebben vervoerd van de toen nog meest onbekende welstand van de wereld. Elk gezonken schip daarentegen kon niet meer een teken zijn van die vergeefsheid en vergankelijkheid van het leven. Over het zakelijke leven van Jan Lambrechtsz. Coole is behalve zijn bestuurlijke betrokkenheid als burgemeester van Vlissingen en zijn investeringen in handelsexpedities weinig meer bekend. Opvallend is wel dat zowel zijn zakelijk als zijn persoonlijke leven (en daarmee uiteindelijk ook zijn dood) zeer nauw verbonden is met de Grote- of St. Jacobskerk te Vlissingen. Tussen 1594 en 1597 huurde hij als koopman de zuidelijke dwarsbeuk van het gebouw, als opslagruimte voor zijn goederen.[4] Dit gebeurde vaker. Door het gemis van een groot aantal van de ritualen en de afschaffing van het uiterlijk beeldvertoon, konden de protestanten het af met aanzienlijk kleinere ruimtes dan hun katholieke voorgangers. In de imposante kerkgebouwen die men had geconfisceerd, bleef de nodige ruimte ongebruikt. Deze werd verhuurd en vaak met een muur of schutting afgescheiden van de ruimte waar de godsdienstoefening werd uitgevoerd. Uit de opbrengsten betaalde de nog zeer jonge kerkelijke gemeenten het onderhoud van de gebouwen. Na Coole wordt dezelfde ruimte verhuurd aan een zeepzieder, en een andere ruimte werd verhuurd voor de berging van onder meer tonharing.[5] De gebroeders Van Pere huurden zelfs ruim twintig jaar een van de kapellen als pakhuis en kantoor voor hun handelspraktijken.[6]

~ ’t Is al werelds

Coole was woonachtig in Vlissingen, hij bezat een huis op de hoek van de Nieuwstraat en de haven.[7] Daarnaast was hij eigenaar van een hofstede onder West-Souburg, waar hij waarschijnlijk de zomers doorbracht. Hij was viermaal gehuwd en kreeg bij zijn eerste echtgenote twee dochters.[8] Er waren geen zonen, en daarmee stierf zijn familienaam met hem uit, maar zijn zeventiende- en achttiende-eeuws nageslacht uit de vrouwelijke lijnen, en verdeeld over niet minder dan de elite van Zeeland en Holland, is altijd zijn nagedachtenis blijven eren met het vermelden van zijn familiewapen onder hun kwartieren.[9] Hij overleefde drie van zijn vier echtgenotes, die tenslotte allemaal zijn begraven in dezelfde kerk. Op de grafsteen van zijn tweede echtgenote Lisbet Pietersdr. Smidt, die na een kort huwelijk al in oktober 1596 overleed, staat al het devies dat ruim twintig jaar later ook de zijne zou sieren: ‘Tis al werelds’ waarbij telkens tekst en beeld verweven zijn door slechts de letters ‘Tis al’ te graveren en vervolgens een bol (al dan niet met een kruis) af te beelden. Als in 1621 zijn kleindochter Elisabeth de Waerdt sterft wordt zij in dezelfde kerk begraven, direct onder het gedenkteken dat voor haar grootvader werd opgericht. Coole’s eigen zerk is niet bewaard gebleven, maar er wordt beweerd dat ook zijn zerk dicht in de buurt van het epitaaf lag, dat ook op deze steen zijn wapen was afgebeeld, en wel vastgehouden door twee toepasselijke schildhouders, namelijk zeedraken. Zo raakte met de jaren de familie Coole en haar nageslacht steeds verder verweven met het gebouw van de St. Jacobskerk. En samen deelden zij het lot dat op 5 september 1911 voorviel.

FA23059

De ruine van de St. Jacobskerk te Vlissingen na de brand van 1911, op de achtergrond rechts in de zijkapel is het epitaaf te zien. (Collectie Gemeentearchief Vlissingen)

~1911

Door onvoorzichtigheid van een loodgieter werden kerk en toren door brand verwoest. Het kerkzilver en het archief werden gered, maar met het gebouw raakten ook haar interieur waaronder de grafmonumenten en –zerken ernstig en sommigen zelfs onherstelbaar beschadigd; de spits van de toren viel in het ruim van de kerk en verbrijzelde vele grafstenen en ook doordat het bluswater rechtstreeks uit de haven werd gepompt.
Tijdens de kerkrestauratie gedurende de jaren 1912-1915, besloot de architect, mede door de zware beschadigingen die aan de grafzerken werden geconstateerd, om de vloer tot het oorspronkelijke niveau terug te brengen. Slechts een klein aantal van de grafzerken kon behouden worden, maar allen werden verwijderd van hun originele plaats. Ondanks alle zorg die is besteed aan de kerk heeft men niet kunnen voorkomen dat een en ander veranderd is. Maar na negentig jaar van verborgen aanwezigheid, hoog in de muur van een van de kapellen – grauw en zwaar beschadigd, is het epitaaf dat ooit werd opgericht ter memorie van een belangrijk maar bescheiden man weer in haar luister hersteld. Bij een bezoek aan de kerk valt het imposante epitaaf beslist op, maar nog altijd vinden we in de ornamenten tal van verwijzingen naar het devies van Coole: ’t Is al werelds. En daarmee krijgt zelfs de ijdelheid van een epitaaf als dit een zekere bescheidenheid.

Epitaaf 2007

Het vernieuwde epitaaf, onthuld op 13 maart 2007. (Fotocollectie R. Rijken te Koudekerke)

 

~ Noten & Bronnen

[1] Haart (J.-M.A.T.F. H. van), Advies voor de restauratie van een deelornament in het epitaaf van Jan Lambrechtsz. Coole (Juni 2006), uitgebracht aan de firma Rijken & Zonen te Koudekerke
[2]
Zijn persoonlijk devies is op verschillende wijzen bewaard gebleven. Het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen (KZGW) beschikt in haar collectie over de wandelstok van Jan Lambrechtsz. Coole waar op de zilveren knop naast zijn naam en het jaartal 1615 de tekst ‘Hier is al werelds, het is al ijdelheid’ staat. (vriendelijke mededeling van KZGW-conservator mw.drs. C.E. Heyning). Op het hier besproken grafmonument bevindt zich een klein ornament waaruit de tekst ’Tis al werelds’ blijkt. Beide zijn een afgeleide van het beroemde citaat ‘IJdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid.’ (Prediker hoofdstuk 1, vers 2) [3] Dommisse (C.P.I.), De geschiedenis van de Westpoort te Vlissingen en de in een harer torens gevestigde Oudheidskamer, in verband met de historie der stad (Vlissingen 1903), p. 59-61
[4] Dommisse (P.K.), ‘De ambachtsheerlijkheid van Oud-Vlissingen en de wording van Nieuw-Vlissingen’ In: Archief  (1910), pagina 173
[5] Dommisse 1910, p. 173
[6] Dommisse (P.K.), ‘Eenige grafschriften uit de afgebrande St. Jacobskerk te Vlissingen, met archivalische toelichtingen’ In: Archief […] uitgegeven door het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen (1913), pagina 7
[7] Gemeentearchief Vlissingen, Bibliotheek Van der Os, inv.no. 2095 (Aantekeningen over Vlissingen door F. Nagtglas uit diens aantekeningen over Zeeland, (manuscript), pagina 14)
[8] Nader onderzoek moet uitwijzen of er een derde dochter is, zoals wordt geopperd in enkele bronnen. De mogelijkheid bestaat dat twee verschillend genoemde dochters Coole één en dezelfde persoon zijn.
[9] Zeeuws Archief [in kopie], J.P. Rethaan Macaré, Wapenborden en wapens op tombes, monumenten en grafgesteenten in de kerken van de voormalige provincie Zeeland tot in 1798 aanwezig geweest. Afgetekend en opgenomen voor de opruiming,(1798)(manuscript), 5 delen Haart

NB: Dit artikel is een bewerkte versie van een gelijknamig artikel gepubliceerd in het Bulletin van de Stichting Oude Zeeuwse Kerken, nr. 59, Oktober 2007

Advertenties