Gesuikerde limoenen, gebraden zwaan en een lam voor de bruid ~ Een societyhuwelijk in zeventiende-eeuws Vlissingen

Eerbare, deugdrijke en zeer discrete jonkvrouw,

De wijzen zeggen dat alle perfecte dingen in drieën bestaan. Maar hoewel dit de derde brief is waarvan ik mijzelf de eer geef om die aan u edele te schrijven – hopend dat mijn twee voorgaande brieven u ter hand zijn gekomen – durf ik mij in deze nog geen perfectie te beloven, wat ik wel zou doen als ik de eer mocht hebben van u edele een brief met uw antwoord te ontvangen (…) Zoete jonkvrouw, hoe kwelt het mij dat ik moet lijden, omdat mijn rivalen dagelijks uw edele’s gezicht mogen aanschouwen; een eer die ik vanwege mijn beroep, maar tegen mijn wil, vooralsnog moet missen.’ 

Het is 1634, en met een ijzige februariwind in de zeilen verlaat een beurtschip de stad Utrecht, met als einddoel Rotterdam. Aan boord vervoert men naast bulkgoederen en handelswaar ook de brieven en pakketten van kooplieden en particulieren. En in dat jaar ook de vijftien liefdesbrieven die Carel Martens schreef vanuit zijn Utrechtse huis aan het Oudkerkhof. Deze zeer vertrouwelijke brieven werden met rode lak verzegeld en in handen van de beurtschipper gegeven, ter verzending naar Vlissingen. Het bovenstaand citaat(1) komt uit Carels derde brief; en licht wanhopig wachtte hij nog steeds op het antwoord dat maar uitbleef.


Anoniem, portret van Carel Martens (1602-1649), 1643 olieverf op paneel, 84.8 x 67.0 cm foto en collectie - Centraal Museum te Utrecht, inv.no. 18046 (bron)

Anoniem, portret van Carel Martens (1602-1649), 1643
olieverf op paneel, 84.8 x 67.0 cm
foto en collectie – Centraal Museum te Utrecht


Zowel de handel op de Indische Oost als op de Caraïbische West had Vlissingen al zeer vroeg tot welstand gebracht. Daarnaast nam men deel aan de walvisvaart in de noordelijke ijszeeën, de Noordzee-visserij en fungeerde de stad als overslaghaven voor vele handelsvloten en als overzetpunt naar Staats-Vlaanderen. Vlissingen was van eenvoudig visserdorp uitgegroeid tot een stemgerechtigde stad in de jonge Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden; een stad waar de bedrijvige drukte op de kades en het komen en gaan van allerhande schepen niet meer dan gewoon was; maar ook een stad met een elite die zich hulde in de kostbaarste kleding, woonde in de prachtigste huizen en waar diezelfde elite het protestantse geloof beleed alsof men vanuit de Waterpoort de hemelpoort kon aanschouwen.

Eén van Vlissings bekendste handelsgeslachten vierde in die jaren grote triomfen. En hoewel deze familie ook niet verstoken bleef van haar dieptepunten, de Lampsins bereikten een status die geen andere familie in Vlissingen meer zou bereiken.
De familie Lampsins was uit Vlaanderen afkomstig, zo ook Jacob Lampsins en Jacquemijnken de Swaen, die respectievelijk in Oostende en Nieuwpoort waren geboren. In Vlissingen traden zij – omstreeks 1598 – in het huwelijk en kregen een tiental kinderen. Maar, zoals vaker voorkwam in die eeuwen, de mens bereikte niet de leeftijd die thans vrij gewoon is. Al in 1613 overleed Jacquemijnken, twee jaar later gevolgd door haar echtgenoot.
In 1630 waren er van de tien kinderen nog slechts drie over: de gezusters Maeijken, Elisabeth en Jacoba Lampsins. De meisjes waren na de dood van hun ouders in huis genomen door hun ongehuwde tante Maeijken Lampsins. ‘Moeije Maeijken’ – zoals zij liefkozend wordt aangeduid – was een van de welgesteldere vrouwen van Vlissingen; door haar vader en haar drie overleden broers Jan(2), Cornelis en Jacob is zij vermoedelijk ook in het handelsbedrijf betrokken geraakt en zodoende kon zij het zich veroorloven om ongehuwd – en daarmee financieel onafhankelijk – te blijven. (3)
Ondanks de zelfstandigheid van moeije Maeijken huwden alledrie de zusters Lampsins; en de kans is zeer groot dat hun tante zich hoogstpersoonlijk heeft beziggehouden met de zoektocht naar en goedkeuring van een geschikte partij, in elk geval wel bij de jongste.

Jacoba Lampsins – in 1634 net tweeëntwintig jaar oud – was de ‘eerbare, deugdrijke en zeer discrete jonkvrouwe’ die opnieuw een brief van Carel Martens zou ontvangen. Naar huidige maatstaven is deze aanhef te formeel en wordt zij niet meer gebruikt, noch adresseren wij onze geliefde met ‘u edele’, maar de hoofse brieven van die tijd waren niet alleen bedoeld om de gevoelens naar voren te brengen. Wanneer de vrijage met een grote afstand te kampen had – en Vlissingen en Utrecht lagen op ongeveer drie dagen reizen afstand van elkaar – dan waren de brieven tevens een toonbeeld van het karakter en de welbespraaktheid van de schrijver. Imponeren, overtuigen en de godsvruchtigheid tonen waren dan ook van wezenlijk belang en konden op de juiste manier de afstand teniet doen. Carel Martens heeft met zijn brieven, zelfs al in die derde brief, die juiste verhouding gevonden. Zijn beheerste doch vurige brieven roepen het beeld op van een vrome intellectueel, die hij zeker was. Alleen de wanhopigheid die uit zijn latere brieven spreekt is wat aandoenlijk, maar wellicht heeft deze ‘swackte’ er toch wel enigszins aan bijgedragen dat Jacoba na lange tijd, toestemde in de conversatie.


‘De jonckman is geschickt, en van een goet beleyt,
de vryster heeft bykans het blyde jae gheseyt.’

De jonge bruid was een zeer welgestelde vrouw die, omdat zij geen ouders meer had, bij haar huwelijk direct kon beschikken over het haar nagelaten fortuin. Zij bezat naast delen van huizen ook aandelen in schepen en handelscompagnieën. Als wees had zij echter geen vader die over haar financiële toekomst en maatschappelijke status waakte, deze taak was daarom weggelegd voor haar broers, of in dit geval haar zwagers. Haar zusters Maeijken en Elisabeth waren reeds getrouwd. Maeijken huwde in 1632 met de Middelburgse regent Frederik van Roubergen en de middelste zuster Elisabeth trad in maart 1634 met de Amsterdamse koopman Nicolaas van der Merct in het huwelijk.
Het is dan ook logisch dat de heren Van Roubergen en Van der Merct zorgvuldig hebben geïnformeerd naar de handel en wandel van de tien jaar oudere Carel Martens. Gewoonlijk – en er is geen aanwijzing dat het hier anders is gegaan – werd dit al gedaan vóórdat de dame in kwestie haar instemming tot de conversatie gaf. Van Jacoba weten we niet wanneer zij haar consent heeft gegeven(4), maar aan de hand van Carels brieven moet dat omstreeks mei zijn geweest als hij zijn formele aanhef na vier lange maanden wijzigt in ‘mijn alderliefste camerade’.


Een vrijer moet de sweep van alle tonghen dragen,
En wort als naeckt ghestelt door innich ondervragen.
(…) Een vrijer wort gesift. wat isser noch te segghen?
Een vrijer moet het lijff als opten rooster leggen.

Nu lijkt deze formele aanvang en de financiële controle weliswaar op een fusie tussen twee bedrijven, op de keper beschouwd was een huwelijk in die kringen dat ook. Immers, we spreken over een periode dat er sprake was van een maatschappij waarin allianties, status en persoonlijke relaties uiterst belangrijk waren in het dagelijkse leven. Hierdoor is lang gedacht dat huwelijken op de meest liefdeloze wijze werden bekokstoofd door berekenende familieleden die hun kans schoon zagen om met een ongehuwde zuster – of nichtje – de familie hoger op de maatschappelijke ladder te krijgen. Nogmaals, voor een deel hiervan valt dit niet te ontkennen, maar na die – plat gezegd – eerste ronde kwam het persoonlijke aspect naar voren; en vaak, zeker bij de weduwnaar(5) Carel Martens, was er toch sprake van een genegenheid, ja zelfs affectie. Jacoba blijft echter, zoals het een vrome en welopgevoede jonge vrouw van die tijd betaamt, koeltjes reageren; al is dit voor Carel geen reden om zijn gevoelens op te geven. Twee maanden lang brengt hij bezoeken aan Zeeland om van zijn ‘onveranderlijke affectie’ te getuigen, schrijft hij vurige brieven zoals een pauw zijn veren toont en vraagt hij haar in vrijwel elke brief om een spoedige verlossing uit zijn lijden; ofwel een antwoord op zijn huwelijksaanzoek.


18047

Anoniem, portret van Jacoba Lampsins (1613/14-1667), 1643
olieverf op paneel, 85.1 x 67.1 cm
foto en collectie – Centraal Museum te Utrecht


Uiteindelijk, op 18 juli 1634, schrijft Jacoba’s zwager Van Roubergen een brief naar Anthony van Hilten – die eerder al naar Jacoba schreef om een goed woordje te doen voor zijn zwager.(6) Hij doet kond van een lang gesprek met de bewuste jonkvrouw en stelt dat zij, na lang aanhouden, het advies van haar verwanten om toe te stemmen volgt. Hij moet echter nog eenmaal benadrukken dat de vrienden(7) niet weinig moeite hebben moeten doen om de zaak tot een goed einde te brengen, daarbij stond men zeer versteld van Carels vasthoudendheid. Dit laatste had hij zelf al maanden eerder aangekondigd door al in zijn vierde brief te schrijven over het spreekwoord dat de aanhouder wint. In zijn eerstvolgende brief betuigt hij zijn vreugde aan zijn ‘alderliefste lammetien’, zoals de koosnaam voor zijn bruid voortaan zal zijn.


‘By ons, wanneer de trou op heden is beschreven,
soo wort er aen de bruyt een fijn juweel ghegeven.
Een eygen trou-geschenck van gout off dyamant,
geen lyff-cieraet alleen, maar oock een ziele-pant.

Zodra de instemming van de bruid definitief was, werd het huwelijk gepland, Jacoba en moeije Maeijken zijn ongetwijfeld meteen met de voorbereidingen in Vlissingen begonnen. Beiden hadden een half jaar eerder ook geholpen met het huwelijk van Elisabeth; dit zou het het derde Lampsins-huwelijk in 1634 worden.(8) Gezien de status van de familie is het denkelijk dat dit niet de minste feesten waren.
Voor de heren was een andere taak weggelegd; Carel spreekt in zijn brieven van augustus over een reis naar Amsterdam waar hij twee okshoofden Rijnwijn kocht(9); wijn van zulke goede kwaliteit dat men – zo schrijft hij – in heel Amsterdam geen betere wijn kon vinden. Ook zal hij, hoewel het jachtseizoen nog niet begonnen is, een goed stuk wildbout zoeken. Was het paar in november getrouwd, dan was de tafel rijkelijk bedeeld geweest met wild, want ook dat was voorbehouden aan de welgestelden.

In een brief aan moeije Maeijken – vergezeld door de twee okshoofden wijn die in haar koele kelder aan de Bierkaai te Vlissingen gelegd dienen te worden – schrijft Carel over de parels die voor hem uit Antwerpen naar Amsterdam zijn gebracht, evenals over de diamanten en het groene snoer die samen tot zijn morgengave zullen worden gemaakt. Dit geschenk zou Carel na de eerste huwelijksnacht aan zijn bruid geven. Dat parels in die tijd ook al een fortuin kosten blijkt uit de rekening waarin vermeld staat dat zij vierentwintig guldens per stuk kosten.(10)


~ ‘De bruyloft is een mart, daer yder zyne waren,
komt toonen voor het volck, omt veylich openbaren.
Het beste van de kraem; daer licht een nieuwe bruyt,
een ander bruyloft maeckt, en dese feeste sluyt.

Rond diezelfde tijd plaatst Jacoba vele bestellingen en schrijft ze talrijke lijstjes met gasten die uitgenodigd dienen te worden. Veel verwanten en vrienden, maar ook zakenrelaties worden genodigd. Alles wordt bijgehouden en veelvuldig herzien; Jacoba geeft zelfs aan waar de gasten van buitenaf ondergebracht zullen worden. Het huwelijksfeest zou drie dagen gaan duren.

Dankzij de bewaardrift van het nageslacht zijn de rekeningen en kwitanties bewaard gebleven; en dat het huwelijksfeest inderdaad een markt was om de waren (de rijkdom) te tonen blijkt uit de overdaad waarmee men de tafels dekte. Zo lezen we op de rekening van de poelier over grote hoeveelheden kalkoenen, fasanten, patrijzen, hoenders, en zelfs gebraden zwaan en pauw. De rekening van de poelier bedroeg ruim 75 pond Vlaams, meer dan een jaarloon voor een arbeider.(11) En ook rekeningen van Jacoba’s kleding zijn bewaard. In grote hoeveelheden werd er ingekocht voor haar jurk – stoffen die later in allerhande andere kleding opnieuw zouden worden gebruikt, voor zeker de 25 meter kant. En ook kant is nooit goedkoop geweest, zelfs in die tijd waarin álles met de hand werd gemaakt, kostte een meter kant (van gemiddelde kwaliteit) ongeveer vier gulden.(12)
Of de bruid geheel in het wit is getrouwd is niet helemaal zeker, vooral omdat in de rekeningen twee kleurrijke details zijn terug te vinden: een rood fluwelen mutsje met zilver en ook voor drie gulden aan ‘carmosijn rootfloweel’ voor een paar muilen.


~ ‘Maeckt plaetse, nieus-gier volck; de bruyt die gaet ter kercken,
en laet in volle trou, haer onder-trou verstercken.
Kniel neder, jonckgesel, kniel neder teere maecht,
hier wort op eene tijt u gans gheluck ghewaecht. (…)
Gods dienaer spreeckt het woort; de segen wort geseyt,
een yeder siet en bid. Daer is de knoop geleyt.’

Het huwelijk werd voltrokken op dinsdag 19 september 1634 in de Vlissingse Sint-Jacobskerk, ruim zeven maanden na Carels eerste brieven. Het zal een mooie herfstdag zijn geweest, en op het moment dat Carel en Jacoba als echtpaar de kerk verlieten werd hen een aubade gebracht door enige ‘speelluyden’ die hen naar het feest zouden begeleiden.


Het is van alle tyt, dat opten bruyloff-dach,
een yder vrolick zijn, en vrienden nooden mach.
Maer gaet met goet beleyt, en laet de lieve gasten
by niemant in het feest met drincken overlasten.’

Voor het driedaagse huwelijksfeest werden zeer copieuze maaltijden bereidt en wel voor ruim negentig personen, naar gewoonte aan lange tafels op grote schalen geserveerd, waarvan men zelf kon pakken. Ter afwisseling van het vele vlees – voor de bruid werd speciaal een lam klaargemaakt, als zinspeling op haar naam – at men olijven, noten en zuidvruchten en bij de laatste gang werden suikerwerk, roomkazen en gesuikerde limoenen ter tafel gebracht. En natuurlijk zullen ook de twee okshoofden Rijnwijn er zijn doorgegaan, evenals het bier en de Hippocras(13). Dat met de drank ook de gezelligheid toenam, weten we door de rekening van de verhuurder van enig serviesgoed. Bij het retourneren van het glaswerk bleken veertien roemers en eenentwintig bierglazen te zijn gebroken, evenals een kostbare grote wijnkan.

Na het grote feest, hernam het gewone dagelijks leven weer zijn gang. De rekeningen werden betaald en Jacoba’s verhuizing werd ingezet. Het echtpaar betrok het huis van Carel aan het Utrechtse Oudkerkhof. In de jaren die volgden kregen zij enkele kinderen, waarvan er vier de volwassen leeftijd bereikten.
Het jonge paar van toen geldt nu als stamouders van een geslacht dat, hoewel thans uitgestorven, driehonderd jaar lang bestuurlijke functies bekleedde in Utrecht. Hun nazaten zijn inmiddels talrijk en verspreid geraakt over verschillende families.


Hoe kander harder leet, of drouver stuck ghebeuren,
Als twee, die eenich zijn, van een te later scheuren.

Carel overleed in 1649, na vijftien jaar huwelijk. Hij werd begraven in een grafkelder in de Janskerk. Jacoba volgde hem achttien jaar later. Dit echtpaar is door hun maatschappelijke positie van de wieg tot het graf te volgen in vele bewaarde documenten. Daarin zijn zij niet uniek, maar zelden worden bij onderzoek naar een zeventiende-eeuws echtpaar zoveel mooie en beeldende details aangetroffen als bij Carel Martens en zijn ‘alderliefste lammetien’.

 


Naschrift
Met dank aan mw. A. Verbout-Wamsteeker te Utrecht;
en aan mw. M.E. van der Molen-Willebrands te Maastricht.

Dit artikel is een bewerking van een eerder, gelijknamig, verschenen artikel in: Den Spiegel, Vereniging Vrienden van het muZEEum en Gemeentearchief Vlissingen, jaargang 22 (2004), nummer 2, 7-12

Geraadpleegd
De (berijmde) citaten zijn afkomstig uit: Jacob Cats, Houwelyck, Middelburg, 1625

Het Utrechts Archief, Familiearchief Martens van Sevenhoven (toegangsno. 1002), diverse inventarisnummers.
Zande e.a., (red.) Ineke van der, In de jonkheid gaan, Amersfoort 1989
Haks, Donald, Huwelijk en gezin in Holland in de 17e en 18e eeuw, Assen 1982
Jong, Joop de, Een deftig bestaan, Utrecht 1987

Voetnoten
(1) Dit bewerkte citaat is afkomstig uit een originele brief van Carel Martens aan Jacoba Lampsins.
(2) Jan Lampsins was de vader van de beroemde broers Cornelis en Adriaan Lampsins
(3) Bij haar overlijden behelsden de baten meer dan 6000 ponden Vlaams, een fortuin dat (omgerekend) ruim 1.6 miljoen euro in waarde bedroeg.
(4) Jacoba’s brieven zijn niet bewaard gebleven. Het is aannemelijk dat de brieven al voor het huwelijk zijn vernietigd. Op schrift gestelde gevoelens konden een jonge vrouw in diskrediet brengen wanneer men niet tot een (huwelijks)overeenkomst kon komen.
(5) Zijn eerste echtgenote, Pieternella van Vorst, stierf in 1630; twee jaar na hun huwelijk.
(6) Van Hilten was getrouwd met Carel’s zuster, Johanna Martens. Anthony van Hilten was een geboren Middelburger, maar had ook contacten met Amsterdam. Het is daarom denkelijk dat hij connecties had met de families Van Roubergen en Van der Merct; een zekere sturing tot een huwelijk is niet te ontkennen.
(7) Verwanten worden in die tijd ook aangeduid als vrienden.
(8) Een nicht (en zuster van de gebroeders Lampsins) Cornelia Lampsins trad in januari van dat jaar voor de tweede maal in het huwelijk.
(9) De inhoud van een okshoofd wijn verschilde van plaats, maar bevat in elk geval ruim 220 kannen wijn. Er viel dus ruim 500 liter wijn te schenken.
(10) De omgerekende waarde van één dergelijke parel is heden ten dage te schatten op ruim 1000 euro.
(11) 75 pond Vlaams stond gelijk aan 450 gulden. Een arbeider of handwerksman verdiende ongeveer een gulden per dag.
(12) In waarde omgerekend, circa 180 euro.
(13) Een traditionele, gezoete rode kruidenwijn. Deze wijn werd doorgaans door de apotheker gemaakt en ter gelegenheid van een huwelijk gemaakt.

Advertenties

1 gedachte over “Gesuikerde limoenen, gebraden zwaan en een lam voor de bruid ~ Een societyhuwelijk in zeventiende-eeuws Vlissingen”