Rapportage ~ Jaspersen Brasser

De navolgende rapportage is louter bedoeld als referentie voor een aanstaande publicatie van een manuscript, nagelaten door Jasper Jaspersen Brasser (1702-1764); om een nader beeld te krijgen van de economische en sociaal-maatschappelijke positie van de schrijver in zijn tijd en omgeving.

Deze rapportage is opgesteld op verzoek van het Gemeentearchief Vlissingen; aan de hand van gegevens zoals deze zijn opgenomen in het bestand Zeeuwse Elite. Vanwege de aard van deze rapportage is ervoor gekozen de noten slechts te gebruiken voor enkele verduidelijkingen of aanvullingen; specifieke bronvermeldingen zijn vanzelfsprekend op aanvraag beschikbaar.


1 | Generatieoverzicht

I – Cornelis Jaspers(e)(n) (Brasser) (overleden ca. 01.1741 Vlissingen) – vader
II – Jasper Jaspersen Brasser (Vlissingen 1702-1764 Vlissingen) – schrijver
III – mr. Jacobus Jaspersen Brasser (Vlissingen 1733-1789 Vlissingen) – zoon

De familie is reeds voor het einde van de achttiende eeuw uitgestorven.


2 | Familienaam

Ontstaan
Voor wat betreft de familienaam lijkt het dat de naam Brasser pas vanaf het begin van de achttiende eeuw als zodanig wordt gebruikt, meer specifiek vanaf het tweede kwart. Cornelis Jaspers(e)(n) zal zich waarschijnlijk pas gedurende zijn werkzame leven Brasser zijn gaan noemen. Wanneer hij daarmee aanvangt is niet bekend, maar in de periode 1701-1709 worden zijn kinderen gedoopt en inschreven onder zijn patroniem Jaspers(e)(n). Zoals gebruikelijk bij patronimica gebeurt dit dan ook op verschillende schrijfwijzen. In de enkele officiële verwijzingen naar zijn publieke ambten wordt hij eveneens genoemd onder dit patroniem. Dit op zichzelf is niet vreemd, men registreert hem immers onder de bekende naam. Voordat gesproken kan worden over een familienaam moeten er minstens twee generaties gebruik van maken; het duurt namelijk vaak die twee generaties voordat die ‘nieuwe’ familienaam beklijft in formele registraties. Dat is bij deze familie niet anders.

Toch is het aannemelijk dat Cornelis de eerste is die de naam Brasser zeer formeel is gaan voeren. De naam wordt namelijk later niet alleen gebruikt door zijn beide zonen, maar ook door zijn twee dochters. Dergelijke cohesie is niet vanzelfsprekend bij een nieuwe naam. Dit duidt op actief sociaal gebruik van de naam in de voorgaande (parentale) generatie. Een familiaal vergelijk is te trekken met de zusters van Cornelis: zij blijven consequent aangeduid met het patroniem Jaspers(e)(n) en zijn nooit genoteerd met de naam Brasser. Kortom, de naam Brasser in deze familiale context is niet ouder dan Cornelis.

De keuze voor de naam Brasser is niet zo heel vreemd. Niet alleen is de Franse term brasser overgenomen in het (oud)Nederlands in relatie tot het brouwen van bier, ook, of juist daardoor, zijn er diverse niet-gerelateerde Nederlandse families Brasser te noemen die in hun geschiedenis de actieve aanwezigheid van het brouwersbedrijf hebben. Eén van de oudste voorbeelden is het Delftse regentengeslacht van die naam.

Patroniem
Wel opvallend is dat het patroniem Jaspers(e)(n) actief blijft. Dat kan bij eerste generaties een gewoonte zijn geweest omdat de familienaam nog niet ‘genoeg’ ingeburgerd was. Echter door het gebruik van de naam door de gehele familie (waaronder dochters en kleinkinderen van Cornelis) kan hier de familienaam vanaf midden jaren 1720 beschouwd worden als Jaspersen Brasser.

De verstening van een patroniem is op zichzelf een bekend fenomeen. Vele familienamen zijn op een dergelijke manier ontstaan, maar er zijn weinig voorbeelden waarbij het in combinatie raakt met een nieuw aangenomen familienaam. Het is in Zeeland nooit een zeer gangbaar gebruik geweest, maar zeker niet in de achttiende eeuw waarin onder de midden en hogere standen nog weinig nieuwe familienamen worden aangenomen.
Enkele soortgelijke namen zijn Tobiassen Wulphert, Reijniersen Tho(o)ren, Jansen van Rosendaal; maar ook hierover is te weinig bekend om een deugdelijke vergelijking te trekken. Zo is de eerste naam een laat zeventiende-eeuws voorbeeld dat slechts twee à drie generaties meegaat en nog niet eens met een volledig versteend patroniem. De tweede sterft al direct uit met dochters, maar kent een omgekeerde volgorde doordat de naam Tho(o)ren wordt toegevoegd. En bij de laatste is, ondanks dat het een hele familie is geworden, geen sprake van sociale stijging; over de ontstaansgeschiedenis van deze laatste naam zijn niet alle details bekend.

Hierbij dient tot slot wel aangetekend te worden dat het maar de vraag is of de naam Jaspersen Brasser ook permanent als zodanig doorgezet zou zijn. Dit blijft een vraagteken omdat er eenvoudigweg niets bekend is over een vierde generatie; en de familie sterft uit voor aanvang van de negentiende eeuw.[1]

Onderscheid
Indien het wel de bedoeling was geweest om deze naam in zijn volledigheid te blijven voeren, dan zou nog gedacht kunnen worden in termen van onderscheid. In hetzelfde tijdvak is er een boerenfamilie Brasser op Walcheren, die deze naam al langer voert. Enkele leden van deze familie zijn dan zelfs woonachtig onder het rechtsgebied van de Landvierschaar van Vlissingen. Het zou beredeneerd kunnen worden dat een middenstandsfamilie met hogere aspiraties geen associatie wenst met een familie van het platteland aan wie zij niet verwant is. Dit moet echter slechts als veronderstelling van een mogelijkheid beschouwd worden, aangezien er in het geheel geen concrete bewijzen voor bestaan.


3 | Globale Positionering

De exacte sociale positie van de familie Jaspersen Brasser is op zichzelf lastig vast te stellen door behoorlijke hiaten in de primaire bronnen. Maar aan de hand de resterende bronnen en door het spiegelen aan de positie van bekende verwantschappen (van beter gedocumenteerde families), kan echter wel een aannemelijk beeld gevormd worden.

Door een ambachtsbedrijf en familiale relaties (zie verder) zijn de Jaspersen Brassers te vergelijken met families als Baert, Bagg(a)ert, Van Bel, Van Doorn[2], Van (den) Eeden, Van den Bussche, Van Hale(n), Van der Hoeven, Louijssen – allen families die (redelijk) inheems zijn te noemen en langzaam maar gestaag vanuit de obscuriteit omhoog klimmen op de sociale ladder. Elk van deze families heeft relaties binnen de vroedschap, maar meestal economisch of sociaal van aard en minder vaak familiaal; en dan nog is het veelal indirect en aan minder dominante families als (bijv.) Van Nispen, Van de Putte, De Vos en Pruijst. De uitzonderingen op de regel zijn de families Baert, Van den Bussche en Van der Hoeven, daar deze in een directe verbinding staan met de familie Van Dishoeck – en daar ook behoorlijk van profiteren al naar gelang de achttiende eeuw vordert. De opkomst van het geslacht Van Dishoeck is echter allerminst een natuurlijk groeiproces geweest.


4 | Bedrijf & Bezit

Brouwerij
Economisch bezien is er weinig meer te zeggen dan dat vader Cornelis op zeker moment de brouwerij de Star(re) in bezit heeft gekregen. Uit één der resterende registers van eigenaren wordt als een vorige eigenaar van het perceel zijn schoonvader Johan van der Heijm genoemd, hij is eveneens bekend als brouwer. Er is dus sprake van voortzetting van het bedrijf, maar in welke vorm deze brouwerij is verkregen, gevoerd of mogelijk uitgebreid is geheel onbekend. Na zijn dood (rond januari 1741) is het bedrijf in eigendom overgegaan op zijn zoon Jasper (schrijver). Daarna zal diens eigen zoon Jacobus, zelf advocaat, het bedrijf niet voortzetten. Maar of het nu (deels) wordt afgebroken[3] en/of verkocht[4] blijft onduidelijk.

Nevenactiviteiten
Naast het brouwersbedrijf zijn er nog de nevenactiviteiten. Bij vader Cornelis gaat het om posities als ontvanger van de (Neder-)Duitsche Armen (ca.1706-1741), kapitein van de schutterij (1707), (over)deken van het makelaarsgilde (1729) en onderkerkmeester van Vlissingen (1731-1741). Jasper zelf wordt in slechts twee nevenfuncties genoemd, maar wel in directe relatie tot zijn bedrijf: Hij is deken van het brouwersgilde (1741) en hoofdman van de graanbeurs (1763).
Onder zwagers en schoonzoons worden naast een enkele kerkmeester en deken van een gilde, vooral vaak kooplieden gevonden die tevens officier zijn bij de burgerwacht (schutterij).

Onroerend Goed
Gezien de vermeldingen in het huisschattings-kohier bij de diverse generaties lijkt het duidelijk dat de bedrijfsactiviteiten zich concentreren rondom de brouwerij, gelegen aan het kerkhof. De familie woont waarschijnlijk eerst (generatie I) aan de Oostzijde[5], maar later (generatie II) in de Lange Noordstraat.[6] Tenslotte woont men in de tweede helft van de achttiende eeuw (generatie III) aan de Grote Markt.[7] Qua behuizing en adressen lijkt hier geen sprake van grote schommelingen.

Daarnaast zijn nog enkele transacties bekend van andere onroerende goederen als pak- en (vermoedelijk kleinere) woonhuizen. Hieronder lijkt niets van bijzondere aard te zijn. Wel zijn er twee kleine speelhofjes die in 1766 uit de boedel van Jasper worden verkocht. Eén aan de Peperdijk (waarde 61 pond Vlaams) en één kleiner buiten de Middelburgse Poort, gelegen onder Oud-Vlissingen (21 pond Vlaams). Deze moet vrijwel letterlijk als hofjes (tuinen) worden beschouwd. Er zal mogelijk een klein gebouw op hebben gestaan, maar het is slechts om buiten te kunnen verpozen en/of voor eigen voedselvoorziening.

Als buitenverblijf heeft wellicht de hofstede Engelenburg onder West-Souburg gediend, maar het is geen bezit van de Jaspersen Brassers. Wanneer Jasper in 1754 als weduwnaar huwt met zijn half-nicht[8] Francina van Doorn, brengt zij deze hofstede (met 19 gemeten land) als eigen bezit in. Acht jaar eerder bij de dood van haar vader Splinter van Doorn, kocht zij het uit diens boedel.[9] Het is wel opvallend dat zij de hofstede twee maanden na Jaspers dood op een veiling aan een lokale boer verkoopt voor 580 pond Vlaams.[10] Haar stiefzoon Jacobus Jaspersen Brasser handelt daarvoor de administratieve zaken af.

Belastingen
Voor wat betreft Jasper is er nog een extra inzicht door de diverse belastingkohieren. In de registers van het familie- en dienstbodegeld zijn duidelijk de ontwikkelingen (een tweede huwelijk en kinderen die het huis uitgaan) zichtbaar. Met 5 à 6 pond Vlaams is het een behoorlijk bedrag voor het familiegeld, dat duidt op een meer dan behoorlijk inkomen van 1.000 à 1.500 pond Vlaams. Hiermee staan zij (qua inkomen althans) op gelijke voet met een groot deel van de leden van de vroedschap. Vanaf het boekjaar 1755 zijn er twee dienstbodes. De aanslag in de luxebelasting van het koffie-, thee- en chocoladegeld is niet noemenswaardig, dit schommelt rond 1 pond Vlaams. Een opvallende stijging is de verdubbeling van het wagen- en paardengeld in 1758, van 2 naar ruim 4 pond Vlaams, het duidt niet direct op eigen volledige equipage (wat zeer onwaarschijnlijk is), maar mogelijk wel op een hoger particulier gebruik naast het zakelijke van de brouwerij.


5 | Familierelaties

Zwagers
Onder de zwagers van vader Cornelis vinden we de Cornelis Kroef, Splinter van Doorn en Joris van de Putte. Naast de handelsactiviteiten van deze heren is de eerste voornamelijk bekend als kaperkapitein, de tweede als officier van de schutterij en grondbezitter[11] en de laatste als telg van een regentenfamilie.[12]

Dat Cornelis’ zusters zo rond de wisseling van de zeventiende- en achttiende eeuw dit soort huwelijken sluiten, indiceert dat de sociale stijging van de familie Jaspers(e)(n) dan al reeds een aanvang heeft genomen. Over de generatie en daadwerkelijke personen van hun ouders is echter niets bekend. Dit laatste feit is wel opmerkelijk en zou zeer wel kunnen duiden op een herkomst van buiten de stad Vlissingen.

Huwelijk
Veelzeggender is Cornelis’ eigen huwelijk, gesloten in 1699, met Margaretha van der Heijm.[13] Zij komt niet uit een lokale familie; het vermoeden bestond reeds dat er nauwe banden waren met Schiedam.[14] Haar vader Johan van der Heijm was brouwer en het bedrijf moet van hem afkomstig zijn geweest. Uit nader onderzoek blijkt niet alleen dat hij uit een zeer welvarende familie komt, maar tevens dat de brouwerij een familietraditie is met bedrijven in Schiedam en Delft.[15] Voor een jongere zoon, zoals Johan van der Heijm was, is al weinig ruimte – maar in de tweede helft van de zeventiende eeuw is er in Holland een sterke economische neergang onder bierbrouwers. Dit zal voor hem reden zijn geweest om in de jaren 1670 uit te wijken naar Zeeland. Of hij in Vlissingen tevens stichter is van de brouwerij bij de kerk is niet duidelijk.

Het huwelijk met een dochter van Van der Heijm is dus voor Cornelis van economisch belang geweest.[16] Qua lokale sociale positie moet toch vooral gekeken worden naar zijn schoonmoeder. Johan van der Heijm huwde Anna Bosschaert, dochter van de predikant Johannes Bosschaert en Catharina van de Putte. Dit betekent niet alleen tweede familieband met de gevestigde regentenfamilie Van de Putte, maar tevens verwantschap aan een onverwacht groot aantal invloedrijke predikantenfamilies, waaronder Boxhorn en Zuerius (Swerius). Onder de zwagers van Anna Bosschaert – en dus oudooms van Jasper, vinden we de Vlissingse predikant Nicolaes Dagh (1640-1705) en burgemeester dr. Arnold de Lannoy (1653-1710). Hoewel beide reeds overleden zijn als de schrijver zelf volwassen wordt, zullen deze familierelaties alleszins nog doorwerken. Zeker gedurende die eerste helft van de achttiende eeuw, waarin de bestuurlijke invloed van onder meer de Van de Puttes en De Lannoys nog altijd merkbaar is.

Kinderen
Tenslotte zijn er de kinderen uit het huwelijk van Cornelis en Margaretha. Van de zeven uit dit huwelijk bekende kinderen, bereiken er zeker vier de volwassen leeftijd. Naast Jasper (de schrijver) gaat het om: De oudste Anna Jaspersen Brasser (1701-1761) die huwt met Pieter Jasper van Nispen (overl.1769), uit de dan nog zeer kleine maar gezeten regentenfamilie Van Nispen.[17] De ongehuwde dochter Johanna Jaspersen Brasser (1704-1740), is geregistreerd als eigenaresse van onroerend goed; daarmee zal zij financieel onafhankelijk zijn geweest. En tenslotte de jongste zoon: Jan Jaspersen Brasser (1705-1759). Hij huwt tweemaal, met dochters uit de (resp.) Vlissingse en Middelburgse families Vessuyp en De Keijser die tot dezelfde stand behoren. Zelf voert hij een bedrijf als wijnkoper. In de laatste jaren van zijn leven woont hij in Middelburg. Over zijn nageslacht is niets bekend.


6 | De Schrijver

De Vlissingse (bier)brouwer Jasper Jaspersen Brasser is thans geïdentificeerd als de schrijver van het hierboven genoemde manuscript. Hij is, zoals hiervoren meermaals genoemd, een zoon uit het huwelijk van Cornelis Jaspers(e)(n) Brasser en Margaretha van der Heijm. Hij is gedoopt te Vlissingen op 07.04.1702[18] en zal daar uiteindelijk ook overlijden op 12.02.1764, bijna tweeënzestig jaar oud.

In de zomer van 1731 huwt hij de Vlissingse Catharina Koole (geb.1709), een dochter van het echtpaar Jacob Koole (koopman) en Catharina Gerlofsen.[19]
Zij krijgen minstens vijf kinderen, waaronder de later zeer bekende advocaat en tevens schrijver mr. Jacobus Jaspersen Brasser; en diens zusters Johanna en Margaretha – die beiden huwen maar over wie weinig bekend is.[20]

Op latere leeftijd huwt Brasser nogmaals, in augustus 1754 met de veertien jaar jongere Francina van Doorn (geb.1715). Zij is dan reeds weduwe van de arts dr. Marinus Geene en heeft kinderen uit haar eerste huwelijk. De Van Doorns behoorden reeds tot de familiekring (zie eerder). Haar ouders waren Splinter van Doorn en diens tweede echtgenote Anna van Hale(n). Dit tweede huwelijk van Jasper blijft kinderloos.


7 | Conclusies

De werkelijke af- en herkomst van de familie Jaspersen Brasser blijft onbekend, er bestaat hierdoor altijd een kans dat er mettertijd alsnog meer informatie beschikbaar komt over de ouders van de (nu bekende) eerste generatie.

Gezien al het voorgaande mag echter worden aangenomen dat de economische basis van de familie Jaspersen Brasser enkel is terug te voeren op de brouwerij die zij middels huwelijk heeft verkregen – en vervolgens nog twee generaties in (actief) bezit heeft gehad. Hiermee is de familie te beschouwen als horend tot de middenstand die, rond de wisseling van de zeventiende- en achttiende eeuw, sociaal hoger opklimt tot de gegoede/brede burgerij van Vlissingen.

Jasper Jaspersen Brasser is geboren in een gevestigde economische situatie, die beslist verder versterkt is door zijn vaders maatschappelijke activiteiten. Lokale sociale status is daarmee dus in hoofdzaak reeds bij geboorte/jeugd verkregen. In het geval van zijn vader zijn hier van belang geweest diens zwagers in (hoofdzakelijk) actief handels en redersbedrijf. Bij zijn moeder telt wel degelijk het familiale brouwersbedrijf (zij het op afstand), maar gaat het vooral om haar familierelaties met diverse predikanten- en regentenfamilies. Jasper zal zelf, gedurende zijn werkzame leven als brouwer en in publieke ambten, aan deze voortgang hebben meegewerkt – vooral gezien de latere sociaal-maatschappelijke status van zijn eigen zoon. Hij heeft met dit alles – zoals reeds duidelijk, geen directe invloed op het stadsbestuur – maar wel degelijk indirect.

Hieraan kan nog worden toegevoegd;
Was de familie Jaspersen Brasser niet reeds in mannelijke lijn uitgestorven, dan had zij beslist kans gemaakt om tijdens of anders toch al kort na de Omwenteling aan het einde van de achttiende eeuw op hogere bestuurlijke posities te komen. Hoewel de mannelijke leden zich dan hadden moeten plooien naar het politieke klimaat, i.e. minder Orangistisch.


8 | Noten (aantekeningen)

[1] Deze bedenking is relevant aangezien in het merendeel van formele stukken de zoon, mr. Jacobus Jaspersen Brasser, in zijn hoedanigheid als advocaat meestal verkort wordt aangeduid als [Mr.] J.J. Brasser. Hij tekent ook zelf als zodanig.
[2] Let wel: de familie afkomstig van Rotterdam, niet die van Berbice.
[3] In een resolutie van het Stadsbestuur van Vlissingen (dd. 25.01.1766) wordt toestemming verleend voor de afbraak van de brouwerijen de Star en de Bijl.
[4] Volgens acquiten van de Rekenkamer verkoopt mr. Jacobus Jaspersen Brasser in 1771 de brouwerij de Starre voor 300:0:0 pond Vlaams aan Adriaen de Klerck.
[5] Cornelis Jaspers(e)(n) Brasser heeft op zijn naam een paar panden aan de Oostzijde (volgno. 9, 11 en 13), vermoedelijk geschakeld en samen goed voor een huisschatting van 15:15:3 en lantaarngeld 0:19:2 pond Vlaams.
[6] Lange Noordstraat (volgno. 76 en 77), een dubbel of geschakeld pand waarvan de totale huisschatting zo’n 8:9:0 en het lantaarngeld 0:10:8 pond Vlaams bedraagt. Dit is duidelijk afkomstig uit het bezit van de schoonvader van Jasper Jaspersen Brasser, de koopman Jacob Koole. Naast de drie panden aan het Kerkhof worden ook op Brassers naam genoemd: panden aan het Lange Groenewoud, Oostzij en bij de zogenaamde Roode Brug.
[7] In het kohier wordt op naam van mr. Jacobus Jaspersen Brasser twee panden genoemd die op zeker moment zijn samengevoegd in één (C.53), met een bepaalde huisschatting van 9:17:8 en lantaarngeld 0:12:5 pond Vlaams. Dit is naar alle waarschijnlijkheid het huis aan de Grote Markt dat hij in 1774 kocht van burgemeester Winckelman voor 800:0:0 pond Vlaams.
[8] Haar vader was een zwager van Jasper’s eigen vader Cornelis. Deze Splinter van Doorn huwde driemaal, Francina is een dochter uit zijn tweede huwelijk.
[9] In de nalatenschap van Splinter van Doorn bevinden zich ook de hofstedes Maldegem en Altyd Wel, deze zijn toen uit de boedel gekocht door Francina’s broer Rombout van Doorn. In 1762 worden beide hofstedes verkocht door diens weduwe; het hof Maldegem is daarna definitief boerenbedrijf, Altyd Wel zal nog twintig jaar in handen blijven van de familie Becker en als buitenverblijf blijven dienen.
[10] Als de hofstede Engelenburg nog niet volledig voor landbouw gebruikt werd ten tijde van de familie Van Doorn is dat wel daarna ingezet. Uit latere verkopen blijkt duidelijk dat het dan om een landbouwbedrijf gaat.
[11] Van Doorn was een Rotterdammer die in korte tijd drie grote hofstedes en ander land wist aan te kopen of anderszins door huwelijk te verkrijgen. Overigens is bij deze familie ook sprake van brouwersactiviteiten, maar of dit in compagnie is met de Jaspersen Brassers is vooralsnog onbekend.
[12] Hij was een achterneef van dr. Pieter van de Putte (1640-v1682)), mr. Pieter Carel van de Putte (1676-1745) en mr. Samuel van de Putte (1690-1745) die alledrie als raad en tevens schepen in de vroedschap zetelden. En van vice-admiraal Carel van de Putte (1643-1695). Daarnaast bevinden zich onder zijn verwanten een behoorlijk aantal medici en predikanten.
[13] De verschrijvingen van deze naam zijn talrijk en al is te Vlissingen de meest aangetroffen schrijfwijze Van der Heijn – hier is gekozen voor het historisch correctere Van der Heijm.
[14] Dit door vermeldingen van de stad bij haar en zusters inzake belijdenissen en gegeven kerkelijke attestaties.
[15] De familie Van der Heijm (later Van der Heim) is een van oorsprong Westfaalse familie die zich in de eerste helft van de zeventiende eeuw in Holland vestigt, vermoedelijk eerst in Delft. De familie splitst al vrij snel op in twee takken met de broers Hendrick van der Heijm in Schiedam en Gerrit van der Hei(j)m in Delft. Beide zijn welvarende brouwers die door de combinatie van een vak, een voordelig huwelijk binnen een daar gezeten familie en een groeiende stad – al met één generatie de stap van middenstand naar regent maken. Zeker voor Hendrick is het duidelijk dat zijn vak gerelateerd is aan zijn sociale stijging, hij huwt in de prominente Delftse brouwersfamilie Van Bleijswijck. Zijn vestiging in Schiedam zal waarschijnlijk met ‘ruimte’ van doen hebben gehad. Aldaar zit hij eerst in de Witte– en later in de Swarte Leeuw. Al na korte tijd beschikt hij over een behoorlijk bezit aan onroerend goed en een zetel in de stedelijke vroedschap; hij is tevens meermaals schepen. Hendrick is de grootvader van Margaretha van der Heijm.
[16] Overigens had Jasper wel een verwantschap aan mr. Anthony van der Heim (1693-1746), raadspensionaris van Holland. Dit is echter meer de toevalligheid van verwantschap, de grootvaders van zijn moeder en de raadspensionaris waren (resp.) de voornoemde broers Hendrick en Gerrit van der Heijm.
[17] Onder hun kinderen bevindt zich Margaretha van Nispen (Vlissingen 1724-1783 Vlissingen), latere echtgenote van de arts, regent en amateur-wetenschapper (Zeeuws Genootschap) dr. Abraham Muller (Vlissingen 1741-1827 Amsterdam), die later naar Amsterdam is vertrokken. En daarmee tevens moeder van de bekende pensionaris-honorair mr. Simon Johannes van Nispen Muller.
[18] Zijn doop is, net als bij de hele familie waarvan deze data bekend zijn, geregistreerd bij de Nederduitsch-Gereformeerde gemeente. De doopgetuigen waren Cornelis Kroef en Adriana Blaas.
[19] Over dit echtpaar is nagenoeg niets bekend.
[20] Van Margaretha Jaspersen Brasser is wel bekend dat zij in 1764 huwde met Splinter Geene, de zoon van haar stiefmoeder Francina van Doorn uit het eerste huwelijk met dr. Marinus Geene.

 

Advertenties